Artikel 185 van de Wegenverkeerswet 1994
Het bijzondere regime van artikel 185 WVW ziet op een deel van de verkeersongevallen. Het betreft namelijk verkeersongevallen waarbij een eigenaar of houder van een motorrijtuig aansprakelijk is ten aanzien van de ongemotoriseerde verkeersdeelnemer oftewel een voetganger of fietser.[1]
Het artikel regelt dus de bescherming van ‘zwakke verkeersdeelnemers’ bij een aanrijding met ‘sterke verkeersdeelnemers’. De aansprakelijkheid van artikel 185 WVW is een soort van risicoaansprakelijkheid, hetgeen inhoudt dat schuld of verwijtbaarheid niet dient te worden aangetoond om een verplichting tot schadevergoeding van tenminste 50% vast te stellen.[2]
Artikel 185 lid 1 WVW
Indien een motorrijtuig waarmee op de weg wordt gereden, betrokken is bij een verkeersongeval waardoor schade wordt toegebracht aan, niet door dat motorrijtuig vervoerde, personen of zaken, is de eigenaar van het motorrijtuig of – indien er een houder van het motorrijtuig is – de houder verplicht om die schade te vergoeden, tenzij aannemelijk is dat het ongeval is te wijten aan overmacht, daaronder begrepen het geval dat het is veroorzaakt door iemand, voor wie onderscheidenlijk de eigenaar of de houder niet aansprakelijk is.
De voorwaarden van artikel 185 lid 1 WVW zijn o.a.:
- Verkeersongeval tussen een gemotoriseerde en niet-gemotoriseerde: hetgeen inhoudt dat een botsing niet is vereist, aangezien de betrokkenheid van het motorvoertuig bij het verkeersongeval voldoende is[3];
- De gemotoriseerde moet op een voor het verkeer openstaande weg hebben gereden: een openstaande weg is een weg waar verkeer kan komen en dus geen aanrijding op een akker of afgesloten parkeerterrein. Er moet aan het verkeer worden deelgenomen.
Als is voldaan aan voorgaande vereisten, dan is de eigenaar of houder van een motorrijtuig aansprakelijk voor de schade, tenzij hij overmacht kan aantonen.
Overmacht
Uit lid 1 van artikel 185 WVW blijkt dat de gemotoriseerde de schade niet hoeft te vergoeden als er sprake is van overmacht. Het is aan de gemotoriseerde om feiten en omstandigheden aan te dragen en zo nodig bewijzen waaruit de overmacht kan worden afgeleid. De Hoge Raad[4] heeft het begrip overmacht als volgt uitgelegd:
- De bestuurder heeft foutloos gereden of de fout is niet relevant voor het ongeval;
- De fouten van de andere weggebruiker waren zo onwaarschijnlijk dat de bestuurder hiermee geen rekening hoefde te houden.
In de jurisprudentie worden zware eisen gesteld aan een beroep op overmacht, aangezien de gemotoriseerde geen enkel verwijt moet kunnen worden gemaakt. In de praktijk wordt overmacht dan ook niet snel aangenomen.[5]
100% regel
Een gemotoriseerde kan zich ten opzichte van een kind jonger dan 14 jaar[6] alleen op overmacht beroepen, indien het ongemotoriseerde kind opzet of daaraan grenzende roekeloosheid verweten kan worden. Als gemotoriseerde niet slaagt in het aantonen van voorgaande, dan zal hij de schade van het ongemotoriseerde kind volledig dienen te vergoeden. Dit wordt ook wel de 100%-regel genoemd.[7] Als overmacht aanvaardbaar wordt geacht, dan dient de gemotoriseerde niet volgens de 100%-regel te vergoeden.
50% regel
ls het beroep op overmacht niet slaagt, dan kan de gemotoriseerde altijd nog een beroep doen op de eigen schuld van de ongemotoriseerde. Hiervan is sprake als het gevaarscheppend gedrag van de ongemotoriseerde heeft bijgedragen aan het ongeval en de schade. De gemotoriseerde kan het beroep op eigen schuld alleen jegens een ongemotoriseerde van 14 jaar of ouder voeren.
Als er sprake is van eigen schuld aan de zijde van ongemotoriseerde, dan nog dient de schade voor 50% te worden vergoed. Dit wordt ook wel de 50%-regel genoemd.[8] Echter, voorgaande gaat niet op indien de schade opzettelijk of met een aan opzet grenzende roekeloosheid is veroorzaakt door de ongemotoriseerde.
Artikel 6:101 BW: causale verdeling
Als het ongeval en de schade mede zijn ontstaan door het gevaarscheppend gedrag van ongemotoriseerde, dan dient er een verdeling van de schade naar evenredigheid – met de mate waarin de over en weer gemaakte fouten gevaar voor het ontstaan van het ongeval in het leven hebben geroepen – te worden gemaakt.[9]
Voorgaande wordt dan beoordeeld op grond van artikel 6:101 BW ook wel de causale verdeling genoemd (zie ook: causaal verband). Volgens de Hoge Raad houdt de causale verdeling een objectieve weging in van de gevaarzettende gedragingen, waarbij wordt geabstraheerd van leeftijd en andere subjectieve omstandigheden.[10] Na het vaststellen van de causale verdeling dient er nog gekeken te worden naar de mate van verwijtbaarheid van het gevaarzettende gedrag door middel van de toepassing van de billijkheidscorrectie.
Billijkheidscorrectie
De causale verdeling kan door de billijkheidscorrectie onveranderd blijven. Echter, het is ook mogelijk dat de billijkheidscorrectie de causale verdeling in het voor- of nadeel van de betrokkenen aanpast. Hierbij is van belang om te weten dat de vergoedingsplicht nooit lager zal uitvallen dan de 50% van de 50%-regel. De factoren die van belang zijn bij de billijkheidscorrectie:
- De ernst van de door verkeersdeelnemers gemaakte fouten;
- De ernst van het letsel (naarmate letsel ernstiger is, is vergoeding van schade groter);
- Is de ongemotoriseerde verzekerd voor de schade (zie ook: Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen);
- ‘Betriebsgefahr’.[11]
Als de toepassing van de billijkheidscorrectie heeft plaatsgevonden en is doorgevoerd bij de causale verdeling, dan is de schadevergoedingsplicht vastgesteld.
Regresnemers
Een regresnemer kan geen beroep doen op de 50%-regel of 100%-regel. Als blijkt dat er geen sprake is van overmacht, dan volgt de toepassing van de causale verdeling en de billijkheidscorrectie.
Reflexwerking
Als de gemotoriseerde een schadevergoeding vordert van de ongemotoriseerde, krijgt deze te maken met de reflexwerking van artikel 185 WVW. Ook hier rust op de gemotoriseerde de bewijslast van overmacht en eigen schuld van de ongemotoriseerde.
De 50%-regel en de 100%-regel zijn niet van toepassing bij de reflexwerking. Ook hier dient de causale verdeling te worden vastgesteld en de billijkheidscorrectie te worden toegepast.[12]
Bronnen:
[1] Spier e.a., Verbintenissen uit de wet en Schadevergoeding, Deventer 2009, vijfde druk, p. 155.
[2] Spier e.a., Verbintenissen uit de wet en Schadevergoeding, Deventer 2009, vijfde druk, p. 156.
[3] Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-IV* 2011, nr. 275.
[4] HR 22 mei 1992, ECLI:NL:HR:1992:ZC0616, NJ 1992/527 (ABP/Winterthur).
[5] Spier e.a., Verbintenissen uit de wet en Schadevergoeding, Deventer 2009, vijfde druk, p. 156.
[6] HR 1 juni 1990, ECLI:NL:HR:1990:AB7631, NJ 1991/720 (Ingrid Kolkman); HR 31 mei 1991, ECLI:NL:HR:1991:ZC0253, NJ 1991/721 (Marbeth van Uitregt).
[7] HR 2 juni 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZC1740, NJ 1997/700-702; HR 5 december 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZC2517, NJ 1998/400-402.
[8] HR 28 februari 1992, ECLI:NL:HR:1992:ZC0526, NJ 1993/566 (IZA/Vrerink); HR 24 december 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC1196, NJ 1995/236 (Anja Kellenaers).
[9]https://www.verzekeraars.nl/verzekeringsbranche/publicaties/Publicaties/Spoorboekje%20artikel%20185%20WW.pdf.
[10] Spier e.a., Verbintenissen uit de wet en Schadevergoeding, Deventer 2009, vijfde druk, p. 164.
[11] HR 10 november 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA8254, NJ 2000/718 (Levob/Van den Bos).
[12] HR 4 mei 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB1426, NJ 2002/214 (Chan-a-Hung/Maalsté).
