Samenvatting Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch, 17 mei 2016, ECLI:NL:GHSHE:2016:1938

  • Aansprakelijkheid manegehouder ex art. 6:181 lid 1 BW
  • Bedrijfsmatige gebruiker paard
  • Rijinstructeur geen eindgebruiker

Feiten

Een vrouw valt tijdens een paardrijles bij een manege genaamd Caprice van het paard. Zij is kort buiten bewustzijn en heeft pijn aan nek en schouder, rechterarm- en been. Uiteindelijk blijkt haar nek zelfs gebroken. Ze is aanvankelijk voor 70-75% arbeidsongeschikt verklaard, en in 2008 zelfs 80-85%. Sinds 2008 is sprake van een medische eindtoestand.

Wanneer schade wordt aangericht door een dier is volgens artikel 6:179 BW de bezitter van het  dier, behoudens de mogelijke toepasselijkheid van de in dit artikel opgenomen “tenzij-clausule”, aansprakelijk. Wanneer het dier in uitoefening van het bedrijf van een ander wordt gebruikt rust de aansprakelijkheid echter niet op de bezitter, maar volgens art. 6:181 BW op diegene die dat bedrijf uitoefent. Indien het paard door de bedrijfsmatige gebruiker ter beschikking wordt gesteld aan een andere bedrijfsmatige gebruiker, dan is deze bedrijfsmatige “eindgebruiker” echter risicoaansprakelijk voor het paard (dit volgt uit art 6:181 lid 2).

Art. 6:181 BW houdt dus kort gezegd in dat wanneer een paard wordt gebruikt in de uitoefening van een bedrijf, de risicoaansprakelijkheid voor dat paard, welk volgt uit art. 6:179 BW, ligt bij degene die het bedrijf uitoefent. Dat zou in dit geval dus de manege kunnen zijn.

Het geschil/de rechtsvraag

Kan Ruitersportcentrum Caprice aansprakelijk worden gehouden voor de geleden schade van appellante op grond van artikel 6:181 BW?

Daarvoor moet allereerst de vraag worden beantwoord of Caprice kan worden aangemerkt als de bedrijfsmatige gebruiker van het paard ten tijde van de val.

Daarnaast moet uiteraard ook worden bewezen dat de val heeft plaatsgevonden, dat appellante ten gevolge daarvan is gevallen, dat er schade is ontstaan bij appellante en ten slotte dat er een causaal verband bestaat tussen de val en de schade.

Geschil in eerste instantie

1e tussenvonnis

In de procedure in eerste aanleg vordert appellante samengevat:

  1. Een verklaring voor recht dat Caprice aansprakelijk is voor alle schade die voor haar uit het haar op 17 november 2003 overkomen ongeluk tijdens de paardrijles is voortgekomen nog zal voortkomen.
  2. Caprice te veroordelen om aan haar deze schade te vergoeden
  3. De veroordeling van Caprice in de proceskosten

Appellante legt hieraan ten grondslag dat Caprice moet worden gezien als de gebruiker van het paard in de uitoefening van haar bedrijf. In elk geval was Caprice de bezitter van het paard. Caprice is daarom aansprakelijk o.g.v. art. 6:181 BW dan wel 6:179 BW.

Verweer Caprice

Caprice heeft verweer gevoerd en allereerst een beroep gedaan op de verjaring en schending van de klachtplicht door appellante.
Daarnaast betwist zij dat zij bezitter of bedrijfsmatig gebruiker van het paard was ten tijde van de val. Caprice stelt dat de instructeur de paardrijlessen op zelfstandige basis heeft gegeven.
Caprice stelt dus dat artikel 6:181 lid 2 toepasselijk is en dat de rij instructeur kan worden gezien als de bedrijfsmatige “eindgebruiker” van het paard.

Daarnaast betwist Caprice dat de val van appellante het gevolg is geweest van het struikelen van het paard, dat het gestelde letsel ook daadwerkelijk is opgelopen en, indien er letsel is, het causaal verband tussen het letsel en de val van het paard.

Het beroep op de schending van de klachtplicht en de verjaring wijst de rechtbank in het eerste tussenvonnis af. Met betrekking tot de aansprakelijkheid van Caprice voor de val heeft zij meer bewijs nodig. De rechtbank heeft daarom appellante opgedragen te bewijzen:

  1. Feiten en omstandigheden waaruit kan worden afgeleid dat op de maandagavond in november 2003 dat zij op het paard reed, dit paard door Caprice werd gebruikt in de uitoefening van haar bedrijf en;
  2. Dat op die bewuste maandagavond dat zij het op het paard reed, dat paard is gestruikeld en dat zijn ten gevolge daarvan is gevallen.

2e tussenvonnis

Appellante dient nu onderbouwd te bewijzen dat Caprice de bedrijfsmatige gebruiker is van het paard. De door haar naar voren gebrachte getuigen hebben één en ander verklaard.

De rechtbank stelt echter dat appellante alsnog niet aan deze bewijsplicht heeft voldaan, op grond van de volgende overwegingen:

  • Vanaf midden september 2003 was de voorzitter van Caprice eigenaar van het paard, maar hij heeft verklaard pas vanaf midden december 2003 de bedrijfsvoering van de manege op zich te hebben genomen, en dat hij pas vanaf 1 januari 2004 lessen is gaan geven.
  • De enkele omstandigheid dat de eigenaar niet kon uitleggen waarom hij reeds in september 2003 voorzitter was geworden, kan naar het oordeel van de rechtbank niet leiden tot de conclusie dat Caprice de bedrijfsvoering al sinds die datum op zich had genomen.
  • Uit de getuigenverklaringen kon evenmin worden afgeleid dat Caprice de verantwoordelijkheid voor de bedrijfsvoering al had op het moment dat appellante van het paard is gevallen.
  • Het is uit verklaringen wel duidelijk geworden dat de ondernemer die de manege vanaf 2000 exploiteerde, hier in augustus of september 2003 mee is gestopt.
  • Wie er dan verantwoordelijk is voor de bedrijfsvoering in de periode vanaf dit vertrek tot 1 januari 2004 wordt niet uit de getuigenverklaring duidelijk.
  • Zowel de echtgenote van eigenaar als eigenaar zelf deden in deze periode werkzaamheden voor de manege, maar niemand heeft verklaard dat zij dit namens Caprice deden. Uit de getuigenverklaringen en de verklaring van eigenaar komt naar voren dat er na het vertrek van de ondernemer in 2000 enige tijd onduidelijkheid bestond over de verantwoordelijkheid van de bedrijfsvoering.
  • Appellante heeft daarnaast zelf verklaard dat na het vertrek van de ondernemer in 2000 de lessen door de echtgenoot van eigenaar en door een andere persoon werden georganiseerd, en dat de betaling voor de lessen aan hen moest worden gedaan. Caprice zou hier toen nog niet bij betrokken zijn geweest, dit kwam pas later.

Rechtbank: manege Caprice is niet aansprakelijk

De rechtbank stelt op grond hiervan vast dat appellante het bewijs van haar stelling dat op de maandagavond in november 2003 dat zij op het paard reed, paard door Caprice werd gebruikt in de uitoefening van haar bedrijf, niet heeft geleverd. De rechtbank houdt vast aan het principe: wie stelt, bewijst. Dat betekent dat Caprice niet aansprakelijk is voor de door het paard aangerichte schade, ongeacht wat er precies is voorgevallen.

Het bewijs dat zij die maandag op het bewuste paard reed, dat het paard toen is gevallen, en het causaal verband tussen de val en de schade hoeft dan niet meer te worden beoordeeld. De vordering van appellante dient derhalve te worden afgewezen.

Het geschil in hoger beroep

Appellante heeft in hoger beroep zes grieven aangevoerd. De eerste grief richt zich tegen de vaststelling van de feiten door de rechtbank. Middels tweede en derde grief beoogt appellante te bewijzen dat Caprice bezitter was van het paard dan wel bedrijfsmatig het paard verhuurde. In de vierde grief bestrijdt ze het oordeel van de rechtbank dat de bewijslast van de stellingen op haar zou rusten. De vijfde grief is gericht op de bewijswaardering door de rechtbank. De laatste grief maakt bezwaar tegen de proceskostenveroordeling.

Uitgangspunt Hof

Het Hof stelt dat appellante geen belang heeft bij de eerste grief, nu het Hof de feiten in het kader van het hoger beroep zelf heeft vastgesteld. Het Hof besluit de derde, vierde en vijfde grief gezamenlijk behandelen. Deze zijn gebaseerd op de stelling dat Caprice aansprakelijk is o.g.v. artikel 6:181 BW.

Het Hof stelt eerst dat artikel 6:181 BW blijkens de parlementaire geschiedenis op de volgende overweging berust:

  1. dat de benadeelde niet behoort te worden belast met de moeilijkheden die verbonden zijn aan het onderzoek naar de bewijslevering betreffende de identiteit van de schuldenaar , en anderzijds op de eenheid van de onderneming in het kader waarvan het dier wordt gebruikt
  2. dat het feit dat bedrijfsmatig verrichte activiteiten in beginsel zijn gericht op het verkrijgen van winst
  3. en dat van een ondernemer mag worden gevergd dat hij zijn bedrijfsrisico als één risico verzekert.

De verlegging van de aansprakelijkheid berust derhalve niet, ook niet mede, op de wil of toestemming van degene die het bedrijf uitoefent, maar op de wet.

Alleen stallen van een paard maakt manegehouder geen bedrijfsmatige gebruiker

Het Hof stelt vervolgens dat uit de parlementaire geschiedenis ook blijkt dat het enkel stallen van het paard de manegehouder geen bedrijfsmatig gebruiker maakt. In het onderhavige geval is het dus nodig vast te stellen dat er sprake was van meer dan alleen het stallen van het paard.

Beoordeling door Hof

Het Hof concludeert dat er in dit geval sprake was van meer dan alleen het stallen van het paard.

Caprice verhuurde het paard

Caprice heeft zelf toegegeven dat zij het paard heeft verhuurd en ter beschikking heeft gesteld. Dit ziet het Hof als voldoende ondernemingsactiviteit.

Het verweer dat de rijinstructeur de eindgebruiker is als in 6:181 lid 2 en daarom aansprakelijk is voor de val verwerpt het hof, omdat de term ‘bedrijf’ volgens het Hof moet worden uitgelegd in het licht van de strekking van die bepaling. Het komt er vooral op aan in hoeverre de betreffende activiteiten naar buiten worden gezien als zijnde afkomstig van een eenheid. Uit de gedingstukken blijkt dat de instructeur de lessen gaf en facturen verstuurde, maar dat de manege de paarden stalde en de verdeling van de paarden regelde. Het handelen van de instructeur had niet voldoende “bedrijfsmatige trekken” om te kunnen worden gezien als een eenheid van buitenaf. Daarnaast acht het Hof de stelling van Caprice dat de instructeur zelfstandig was niet voldoende onderbouwd met argumenten. Conclusie is dat de toepasselijkheid van art. 6:181 lid 2 BW niet uit de feiten worden kan afgeleid.

Het Hof overweegt vervolgens dat het struikelen van het paard is voortgekomen uit de onberekenbare krachten die de eigen energie van het paard als levend wezen oplevert. Er is immers niet gesteld of bewezen dat appellante of een andere aanwezige op de manege het paard heeft laten struikelen. Betwisten dat het paard is gevallen treft dan ook geen doel en de bewijslevering hiervoor is niet meer aan de orde.

De stelling dat appellante schade heeft opgelopen is moet door appellante worden bewezen. Om Caprice aansprakelijk te stellen voor de schade dient er te worden gesteld dat er sprake is van een causaal verband tussen de letselschade en de val. Op grond van de stukken kan het Hof niet vaststellen of appellante aan deze stelplicht heeft voldaan.

Uitspraak Hof

Het Hof stelt appellante in de gelegenheid zich bij nadere memorie uit te laten over voorgenoemde, waarna Caprice in de gelegenheid zal worden gesteld hierop bij antwoordakte te reageren.

De zaak wordt verwezen naar de rol van 14 juni 2016.

Diensten

Diensten

Wat doen wij en voor wie doen wij dat? Voor slachtoffers van letselschade en voor letselschadeprofessionals die behoefte hebben aan objectieve informatie over letselschade.

Kennis

Kennis

LetselschadeSlachtoffer.nl biedt met haar website de laatste stand van zaken op het gebied van Jurisprudentie en legt via Wikipedia de termen uit die bij letselschade worden gebruikt.

Hulp

Hulp

Heeft u zelf een ongeval met letsel meegemaakt en wenst u professionele en kosteloze hulp van ervaren letselschadejuristen? Neem dan contact met ons op via het contactformulier op deze site.