De trams zijn niet meer weg te denken uit het straatbeeld van grote Nederlandse steden. Deze trams moeten hun weg zien te vinden tussen de andere verkeersdeelnemers, zoals voetgangers, fietsers en auto’s. Het is dan ook niet te voorkomen dat verkeersongelukken ontstaan tussen trams en andere weggebruikers. Dan rijst de vraag hoe de aansprakelijkheidsvraag beantwoord dient te worden. In dit artikel bespreken we:
- De invloed van artikel 185 WVW bij een tramongeval.
- Wie er aansprakelijk is bij een verkeersongeval tussen een zwakke verkeersdeelnemer en een tram.
- In welke mate de vervoerder aansprakelijk is als een passagier letselschade oploopt tijdens een tramrit.
De tram in de Wegenverkeerswet
De Wegenverkeerswet 1994 is zonder uitzonderingen van toepassing op de tram. De tram is namelijk een voertuig dat gebruik maakt van voor het openbaar verkeer bestemde wegen. De WVW beoogt hiervoor regels te geven.[1]
Een tram is echter geen motorrijtuig, want het wordt langs spoorstaven voortbewogen.[2] Dit heeft gevolgen voor art. 185 WVW. Dit artikel bepaalt dat een motorrijtuig verplicht is om de schade te vergoeden van de bestuurder van een niet-motorrijtuig, tenzij sprake is van overmacht. Wanneer een tram bij een verkeersongeval met een motorrijtuig betrokken raakt, betekent dit dus dat de bestuurder van het motorrijtuig de schade van de trambestuurder moet vergoeden. Uit de parlementaire geschiedenis blijkt niet dat art. 185 WVW beperkt moet worden tot voetgangers en fietsers. Ook de rechtspraak gaat hierin mee.[3]
Een verkeersongeval tussen zwakke verkeersdeelnemers en een tram
Tot het arrest van de Hoge Raad van 14 juli 2000 was de heersende opvatting dat een voetganger of fietser zich niet kon beroepen op art. 185 WVW wanneer hij een ongeval had gehad met een tram. Een uitzondering op deze regel werd gegeven in een vonnis van het Hof. Het ging in deze zaak om een ongeval tussen een tram een kind van twee jaar oud, waarbij het kind schade heeft geleden. Door het Hof werd gezegd dat de bestuurder van een tram in deze situatie aansprakelijk is voor de schade wanneer hem enig verwijt valt te treffen.[4]
Door de uitspraak op 14 juli 2000 van de Hoge Raad veranderde dit standpunt. In deze zaak speelt de vraag of het Hof de situatie aan art. 185 WVW had mogen toetsen. Argumenten die tegen dit standpunt zijn:
- Het is geen motorrijtuig.
- De tram kan niet uitwijken.
- De tram heeft een langere remweg.
- Het heeft een openbare nutsfunctie, waardoor het een bijzondere voorrangspositie heeft.
De Hoge Raad bepaalt toch dat de bestuurder van een tram dezelfde zorgvuldigheid in acht moet nemen als de bestuurder van een motorrijtuig. Dat een tram geen motorrijtuig is, doet hier niet aan af. De reden hiervoor is de bescherming die kwetsbare verkeersdeelnemers nodig hebben in verband met de ingrijpende gevolgen die een tramongeval voor hen kan hebben. De trambestuurder moet hierdoor rekening houden met fouten van zwakke verkeersdeelnemers, tenzij deze fouten zo onwaarschijnlijk zijn dat hij daarmee in redelijkheid geen rekening behoefde te houden. De Hoge Raad heeft ook bepaald dat de 50%-regel van toepassing is op een tramongeval. Dit is geen verrassing nu ook de vergaande zorgvuldigheidsnorm geldt voor de bestuurder van een tram.[5] Na 14 juli 2000 wordt de uitspraak van de Hoge Raad gevolgd.
Vervoerdersaansprakelijkheid voor passagiers
De belangrijkste taak van de bestuurder van een tram is om zijn passagiers veilig op hun plaats van bestemming te brengen. Vaak gaat dit goed, maar tijdens een rit kan schade worden veroorzaakt bij een passagier. De vervoerder is in deze gevallen al snel aansprakelijk voor de schade. De vervoerder is namelijk aansprakelijk voor het letsel dat de passagier tijdens het vervoer heeft opgelopen, tenzij sprake is van overmacht aan de kant van de vervoerder.[6] Deze aansprakelijkheid begint op het moment dat de passagier instapt en eindigt na het uitstappen van de passagier. Dit in- en uitstappen moet letterlijk worden opgevat.[7]
De vergoedingsplicht van de vervoerder is wel beperkt tot een bepaald bedrag. Het limiet per reiziger is € 1.000.000, met een maximum van € 15.000.000 per gebeurtenis.[8]
[1] J. Schep, ‘De tram’, VRA 2011/130.
[2] Art. 1 lid 1 sub c WVW 1994.
[3] J. Schep, ‘De tram’, VRA 2011/130; Rb. s’-Gravenhage 12 mei 2010, 09-2523, VR 2011/126, r.o. 4.5.
[4] J. Schep, ‘De tram’, VRA 2011/130; Hof Den Haag 2 mei 1996, ECLI:NL:GHSGR:1996:AJ6315, VR 1997/8, r.o. 4.
[5] J. Schep, ‘De tram’, VRA 2011/130; HR 14 juli 2000, ECLI:NL:PHR:2000:AA6526 (concl. A-G De Vriesch Lentsch-Kostense), NJ 2001/417, m.nt. J. Hijma, r.o. 4.1 (Geertsema/De Niet,Trambestuurder); HR 14 juli 2000, ECLI:NL:PHR:2000:AA6526 (concl. A-G De Vriesch Lentsch-Kostense), NJ 2001/417, m.nt. J. Hijma, r.o. 6 (Geertsema/De Niet,Trambestuurder).
[6] Art. 8:105 BW.
[7] J. Schep, ‘De tram’, VRA 2011/130.
[8] J. Schep, ‘De tram’, VRA 2011/130; art. 8:110 BW.
