Hoge Raad, 11 november 2005, ECLI:NL:HR:2005:AU3313 (Bayar/Wijnen)

  • Onrechtmatige daad
  • Werkgeversaansprakelijkheid
  • Artikel 6:162 BW; 7:658 BW

Onderwerp

Wanneer heeft een werkgever (in een geval waarin wordt gewerkt met een gevaarlijke machine)  voldoende maatregelen getroffen om aan zijn zorgplicht op grond van artikel 7:658 lid 1 BW te voldoen?

De feiten 

Bayar heeft, als werknemer in dienst van Wijnen (Vleesgroothandel), letsel opgelopen aan zijn hand. De werknemer greep met zijn hand in een inpakmachine omdat hij een storing probeerde te verhelpen. Hij is met zijn vingers onder de pers gekomen waardoor hij drie vingertoppen heeft verloren.

De werknemer heeft zijn werkgever aansprakelijk gesteld op grond van artikel 7:658 BW, wegens schending van diens zorgplicht om veiligheidsmaatregelen te nemen. De werknemer heeft de werkgever gedagvaard voor de kantonrechter te ’s-Hertogenbosch en heeft gevorderd de werkgever te veroordelen tot betaling van alle geleden en nog te lijden schade. De kantonrechter heeft de vordering afgewezen.

De rechtbank en het hof 

De rechtbank wijst de vordering van de werknemer af en het hof bekrachtigt dit vonnis. Zowel de rechtbank als het hof zijn van mening dat de werkgever voldoende maatregelen heeft getroffen om aan zijn zorgplicht van artikel 7:658 lid 1 BW te voldoen. Het was niet voorzienbaar voor de werkgever dat de werknemer zijn hand in de desbetreffende richel zou kunnen duwen. De machine was voorzien van vele beschermkappen, een duidelijk aanwezige nood(stop)knop en waarschuwingsstickers. Daarnaast had de werkgever zijn werknemers op voldoende wijze geïnstrueerd. Volgens de rechtbank betekent het aanbrengen van een extra beveiligingsstrip na het ongeval niet dat het voorzienbaar was dat iemand zijn hand in de richel zou steken.

Hoge Raad

Werkgever heeft niet aan zijn zorgplicht voldaan

Volgens de Hoge Raad heeft de werkgever niet aan zijn zorgplicht voldaan doordat hij niet voldoende veiligheidsmaatregelen heeft getroffen. De Hoge Raad overweegt in de eerste plaats dat artikel 7:658 BW niet beoogt een absolute waarborg te scheppen voor bescherming tegen gevaar. De werkgever dient ingevolge dit artikel die maatregelen te nemen die redelijkerwijs nodig zijn om te voorkomen dat de werknemer in de uitoefening van zijn werkzaamheden schade lijdt. Wat van de werkgever in redelijkheid mag worden verwacht, hangt af van de omstandigheden van het geval.[1]

Gevaarlijke machine

Hieraan voegt de Hoge Raad toe dat in het geval van een gevaarlijke machine hierbij in het bijzonder geldt dat het waarschuwen voor gevaren bij de bediening door middel van schriftelijke of mondelinge instructies en het aanbrengen van waarschuwingsstickers niet steeds voldoende zal zijn. Er dient rekening gehouden te worden met het ervaringsfeit dat de dagelijkse omgang met een machine, een verminderde oplettendheid kan veroorzaken, ook al wordt het gevaar de gebruiker door instructies en waarschuwingen ingescherpt.[2]

Waarschuwing is in dit geval niet voldoende

Van de werkgever moet dan ook worden verwacht dat hij onderzoekt of afdoende preventieve maatregelen mogelijk zijn of dat er een veiliger werking van de machine mogelijk is, en, zo dat niet het geval is, of op een voldoende effectieve wijze gewaarschuwd kan worden voor het gevaar.[3] In dat kader is van belang met welke mate van waarschijnlijkheid de niet-inachtneming van de vereiste oplettendheid en voorzichtigheid kan worden verwacht, de grootte van de kans dat daaruit ongevallen ontstaan, de ernst die de gevolgen daarvan kunnen hebben en de mate van bezwaarlijkheid van de te nemen veiligheidsmaatregelen (Kelderluikcriteria).[4]

Een waarschuwing is enkel voldoende indien dit zal leiden tot een handelen of nalaten waardoor dit gevaar wordt vermeden.[5]

Onoplettendheid werknemer

Bij de beantwoording van de vraag of de werkgever heeft gedaan wat redelijkerwijs van hem mocht worden verwacht, overweegt de Hoge Raad dat het derhalve van belang kan zijn of de werkgever de specifieke gedragingen die tot het ongeval hebben geleid, met inachtneming van het hiervoor bedoelde ervaringsfeit, redelijkerwijs heeft moeten voorzien. Volgens de Hoge Raad is dit niet van doorslaggevende betekenis, omdat onoplettendheid bij het bedienen van een gevaarlijke machine veelal op verschillende wijzen tot een ongeval kan leiden en voor aansprakelijkheid van de werkgever niet is vereist dat deze juist die gedraging heeft voorzien die tot het ongeval heeft geleid.[6]

Valgevaar door een natte vloer (Hoge Raad 11 april 2008)

Uit het arrest Bayar/Wijnen zou kunnen worden opgemaakt dat de overwegingen van de Hoge Raad alleen gelden voor het werken met gevaarlijke machines. In de letselschadepraktijk zien we echter terug dat de rechtsregels van het arrest Bayar/Wijnen ook gebruikt kunnen worden in andersoortige artikel 7:658 BW-zaken. Zo ging het in een uitspraak van de Hoge Raad van 11 april 2008 om een werknemer van een chemische wasserij die tijdens het uitvoeren van zijn werkzaamheden in het bedrijf uitglijdt in een plas water. De werkgever heeft, in verband met het risico van uitglijden, veiligheidsschoenen verstrekt.

Werkgever heeft niet voldoende maatregelen getroffen

Volgens de Hoge Raad heeft de werkgever niet voldoende maatregelen getroffen waardoor hij zijn zorgplicht die voortvloeit uit artikel 7:658 lid 1 BW heeft geschonden. Het aanbrengen van rubberen matten zou een eenvoudige en geëigende veiligheidsmaatregel geweest zijn tegen het uitglijgevaar.[7] A-G Spier is in dit arrest van oordeel dat de door de Hoge Raad in het arrest Bayar/Wijnen geformuleerde maatstaf tevens kan worden toegepast in zaken waarbij geen sprake is van een gevaarlijke machine. In deze zaak had de werkgever kunnen kiezen uit verschillende maatregelen zoals het leggen van matten of het beschikbaar stellen van veiligheidsschoenen met een zwaarder profiel.[8] Uit het arrest Bayar/Wijnen volgt dat wanneer blijkt dat er  effectievere maatregelen ter voorkoming van een ongeval mogelijk waren, dan moet worden onderzocht waarom niettemin het aanbrengen van deze voorziening destijds niet van de werkgever kon worden gevergd.[9]

Conclusie

Uit het arrest Bayar/Wijnen volgt dat bij het verrichten van werkzaamheden met het gebruik van gevaarlijke machines, het neerzetten van waarschuwingsborden of het aanplakken van veiligheidsstickers niet altijd voldoende kan zijn. De Hoge Raad heeft de Kelderluik-criteria eveneens van toepassing verklaard met betrekking tot de werkgeversaansprakelijkheid op grond van artikel 7:658 BW en introduceert daarnaast een soort normenhiërarchie: de werkgever dient preventie mogelijkheden te onderzoeken, voor zover preventie niet mogelijk: instrueren en waarschuwen, en vervolgens daadwerkelijk toezien op nakoming van die instructies.

Bronnen:

[1] HR 11 november 2005, ECLI:NL:HR:2005:AU3313, r.o.3.2.

[2] HR 11 november 2005, ECLI:NL:HR:2005:AU3313, r.o.3.3.2.

[3] HR 11 november 2005, ECLI:NL:HR:2005:AU3313, r.o.3.3.2.

[4] HR 5 november 1965, LJN AB7079.

[5] HR 28 mei 2004, LJN AO4224.

[6] HR 11 november 2005, ECLI:NL:HR:2005:AU3313, r.o.3.3.2.

[7] HR 11 april 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC9225, r.o.3.5.

[8] HR 11 april 2008, ECLI:NL:PHR:2008:BC9225, r.o.4.3.3.

[9] HR 11 november 2005, ECLI:NL:HR:2005:AU3313, r.o.3.3.2.

Diensten

Diensten

Wat doen wij en voor wie doen wij dat? Voor slachtoffers van letselschade en voor letselschadeprofessionals die behoefte hebben aan objectieve informatie over letselschade.

Kennis

Kennis

LetselschadeSlachtoffer.nl biedt met haar website de laatste stand van zaken op het gebied van Jurisprudentie en legt via Wikipedia de termen uit die bij letselschade worden gebruikt.

Hulp

Hulp

Heeft u zelf een ongeval met letsel meegemaakt en wenst u professionele en kosteloze hulp van ervaren letselschadejuristen? Neem dan contact met ons op via het contactformulier op deze site.