In beginsel zijn er in het letselschadeproces twee partijen. Enerzijds de partij die het ongeval en de schade heeft veroorzaakt en anderzijds de partij die ten gevolge van het ongeval schade lijdt. De partij die schade lijdt is ook de partij die een vordering heeft tegen de partij die de schade heeft veroorzaakt. Echter, is er ook een derde partij die een schadevergoeding kan eisen. Deze partij heeft wat in het aansprakelijkheidsrecht een vordering op grond van verplaatste schade wordt genoemd.[1]
Wat is verplaatste schade?
Verplaatste schade is in het Burgerlijk Wetboek geregeld in artikel 6:107 lid 1. Het wetboek geeft de volgende definitie:
“Indien iemand ten gevolge van een gebeurtenis waarvoor een ander aansprakelijk is, lichamelijk of geestelijk letsel oploopt, is die ander behalve tot vergoeding van de schade van de gekwetste zelf, ook verplicht tot vergoeding van de kosten die een derde anders dan krachtens een verzekering ten behoeve van de gekwetste heeft gemaakt en die deze laatste, zo hij ze zelf zou hebben gemaakt, van die ander had kunnen vorderen.”
Uit bovenstaand wetsartikel volgt dat, om van verplaatste schade te kunnen spreken, er sprake moet zijn van een derde die kosten ten behoeve van het slachtoffer heeft gemaakt. Daarnaast is vereist dat het slachtoffer deze kosten ook zelf had moeten kunnen vorderen indien hij deze zelf had gemaakt.
Er kunnen verschillende voorbeelden van verplaatste schade worden gegeven.[2] Denk hierbij aan ouders die kosten maken ten behoeve van hun (minderjarig) kind. Onderstaande opsomming kan daarom niet als limitatief worden aangemerkt:
- Gederfde inkomsten; denk hierbij aan een derde die gedurende de herstelperiode van het slachtoffer wegens de afhankelijkheid van het slachtoffer niet kan werken;
- Medische kosten; het kan voorkomen dat een ander dan het slachtoffer de medische kosten voldoet;
- Reiskosten voor bijvoorbeeld medische bezoeken of privéafspraken;
- Bezoek aan het slachtoffer.
De Hoge Raad en verplaatste schade
De Hoge Raad heeft zich vaker uitgelaten over vorderingen van verplaatste schade. Zo ook in de zaak Johanna Kruidhof. In deze zaak was een minderjarig kind het slachtoffer geworden van ernstige brandwonden. De ouders van het meisje waren veel tijd kwijt met ziekenhuisbezoeken en namen de verzorging voor eigen rekening. De Hoge Raad oordeelde hier dat de verplaatste schade van de ouders die betrekking had op de verpleging van Johanna voor rekening van de schuldenaar diende te komen. De door de ouders opgenomen vakantiedagen kwamen voor eigen rekening. Immers is het niet gebruikelijk om professionele hulp in te huren voor ziekenhuisbezoeken. Met deze uitspraak werd het de vaste regel dat in het geval de verpleging van het slachtoffer door familie wordt gedaan en het gebruikelijk is dat deze ook aan professionele hulpverleners kan worden uitbesteed, deze kosten door de wederpartij vergoed moet worden.[3] Voorwaarde is wel dat de geleden vermogensschade niet hoger mag liggen dan de kosten van professionele hulp.
Het vorderen van verplaatste schade
Evenals het indienen van de vordering tot betaling van schadevergoeding aan het slachtoffer dient de vordering tot het betalen van verplaatste schade voldoende te worden onderbouwd. Zo moet worden aangegeven waarom er sprake is van verplaatste schade en onder welke omstandigheden de schade tot stand is gekomen. In het letselschadeproces is het belangrijk dat de vorderingen voorzien worden van een deugdelijke motivering. Aangezien zowel de belangen van het slachtoffer als een betrokken derde een rol spelen, is het belangrijk dat de zaak van begin af aan door een kundige letselschadejurist wordt behandeld. Deze letselschadejurist zal zowel de schade van het slachtoffer als de schade van de derde partij in de schadeberekening meenemen. Hierdoor bent u verzekerd van een goede afhandeling.
Bronnen:
[1] S.D. Lindenbergh & I. van der Zalm Schadevergoeding: personenschade (Monografieën BW, nr. B37), Deventer: Wolters Kluwer 2015, par. 13.
[2] S.D. Lindenbergh & I. van der Zalm Schadevergoeding: personenschade (Monografieën BW, nr. B37), Deventer: Wolters Kluwer 2015, par. 13.2 t/m 13.8.
[3] HR 28 mei 1999, NJ 1999/564 (Gemeente Losser/De Vries; Johanna Kruidhof).
