De vordering die een schuldeiser op zijn wederpartij heeft is niet onbeperkt opeisbaar. Om enige bescherming te bieden aan de debiteur, degene die de vordering moet voldoen, zijn er wettelijke termijnen opgenomen waarin is bepaald hoe lang een vordering opeisbaar is. Dit wil zeggen dat indien de termijn is verlopen, de vordering is verjaard en de schuldeiser zijn vordering niet meer kan innen. De termijn waarbinnen een vordering opeisbaar is wordt de verjaringstermijn genoemd.[1]
In beginsel heeft een rechtsvordering een verjaringstermijn van twintig jaar. Dit wordt de absolute verjaringstermijn genoemd. Deze regel is opgenomen in artikel 3:306 BW. Er zijn echter uitzonderingen op deze regel. Deze uitzonderingen zijn opgenomen in artikel 3:307 BW en verder. Zo blijkt bijvoorbeeld uit artikel 3:310 BW dat een vordering tot het betalen van een boete een verjaringstermijn heeft van vijf jaar. Deze kortere verjaringstermijn worden relatieve verjaringstermijnen genoemd. Indien een van beide verjaringstermijnen is verstreken, is er geen juridische basis meer om de vordering mee af te dwingen, behalve bij schade ten gevolge van milieuverontreiniging, een gevaarlijke stof (artikel 3:310 lid 2 BW) of een strafbaar feit (artikel 3:310 lid 4 BW).
Stuiting
Om te voorkomen dat de vordering niet meer juridisch afdwingbaar wordt, moet de verjaringstermijn worden gestuit. Het stuiten van de verjaringstermijn kan op verschillende wijzen gebeuren. Voor het stuiten van een vordering tot nakoming van een verbintenis moet door de schuldeiser een schriftelijk stuk worden opgesteld waarin ondubbelzinnig wordt aangegeven dat het recht op nakoming wordt behouden. De debiteur moet kennis nemen van dit stuk. Het stuiten wil in feite zeggen dat de wederpartij schriftelijk op de hoogte wordt gesteld van het feit dat de schuldeiser zijn schuld nog wil innen.[2]
De verjaring wordt tevens gestuit indien de schuldenaar erkent dat de schuldeiser een vordering op hem heeft. De schuldenaar kan dit zowel mondeling als schriftelijk erkennen.[3] Bij deze vorm van stuiting hoeft men niet al te ingewikkeld te denken. Zo is er al sprake van erkenning indien de schuldenaar wil overleggen over de schuld.[4]
De stuiting van de verjaring zorgt ervoor dat de oude verjaringstermijn komt te vervallen. In de plaats van die verjaringstermijn gaat de nieuwe verjaringstermijn van start. Deze termijn begint te lopen op de dag nadat de stuitingactie is gedaan.[5] De nieuwe verjaringstermijn is in beginsel even lang als de oorspronkelijke verjaringstermijn, echter is de nieuwe termijn niet langer dan vijf jaar.[6]
De verjaring van letselschadezaken
Vaak is het niet te voorspellen hoe lang het afwikkelen van een letselschadezaak gaat duren. Het in de gaten houden van de verjaringstermijnen en het stuiten van de verjaring is, indien u door een ongeval een vordering op een derde heeft, van groot belang en uw eigen verantwoordelijkheid. Daarom is het erg belangrijk om tijdig een kundige letselschadejurist in te schakelen om uw belangen adequaat te behartigen. Zo voorkomt u het risico dat uw zaak door verjaring niet meer afgehandeld kan worden. De letselschadejurist zal bij het behartigen van uw belangen tevens zorg dragen voor de stuiting van de verjaringstermijn. Op die manier hoeft u zich daarover ook geen zorgen te maken.

Bronnen:
[1] C.H. Sieburg, Mr. C. Assers Handleiding tot de beoefening van het Nederlands Burgerlijk Recht. 6. Verbintenissenrecht. Deel II. De verbintenis in het algemeen, tweede gedeelde, Deventer: Wolters Kluwer 2017, paragraaf 377.
[2] C.H. Sieburg, Mr. C. Assers Handleiding tot de beoefening van het Nederlands Burgerlijk Recht. 6. Verbintenissenrecht. Deel II. De verbintenis in het algemeen, tweede gedeelde, Deventer: Wolters Kluwer 2017, paragraaf 423.
[4] C.H. Sieburg, Mr. C. Assers Handleiding tot de beoefening van het Nederlands Burgerlijk Recht. 6. Verbintenissenrecht. Deel II. De verbintenis in het algemeen, tweede gedeelde, Deventer: Wolters Kluwer 2017, paragraaf 426.
