Hoge Raad, 7 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ1721 (Lansink/Ritsma)

  • Werkgeversaansprakelijkheid 7:658 BW
  • Blootstelling aan gevaarlijke stoffen
  • Causaal verband

Onderwerp

In de zaak Lansink/Ritsma gaat het om de vraag hoe aannemelijk het precies moet zijn  dat de arbeidsomstandigheden schadelijk kunnen zijn geweest voor de gezondheid en dat de gezondheidsklachten hierdoor kunnen zijn veroorzaakt, voordat de arbeidsrechtelijke omkeringsregel kan worden toegepast.

Juridisch kader artikel 7:658 BW

De werkgever is op grond van art. 7:658 BW aansprakelijk voor de schade die werknemer in de uitoefening van zijn werkzaamheden lijdt, tenzij de werkgever aantoont dat hij aan zijn zorgplicht heeft voldaan. De werknemer dient voordat aansprakelijkheid van de werkgever wordt aangenomen dus te stellen en te bewijzen dat hij schade heeft geleden in de uitoefening van zijn werkzaamheden en dat causaal verband bestaat tussen zijn schade en de verrichte werkzaamheden.

Arbeidsrechtelijke omkeringsregel

In art. 7:658 lid 2 BW is de arbeidsrechtelijke omkeringsregel neergelegd. Dit houdt in dat er in beginsel vanuit wordt gegaan dat er een causaal verband tussen de schade en de werkzaamheden is, wanneer de werkgever heeft nagelaten de maatregelen te treffen die redelijkerwijs nodig zijn om te voorkomen dat de werknemer in de uitoefening van zijn werkzaamheden schade lijdt.

Om een geslaagd beroep te kunnen doen op art. 7:658 lid 2 BW en dus gebruik te kunnen maken van de omkeringsregel, is het van belang dat de werknemer stelt en zo nodig bewijst dat:

  • De omstandigheden waaronder de werkzaamheden verricht zijn, schadelijk kunnen zijn voor de gezondheid
  • Hij of zij aan gezondheidsklachten lijdt, door het werken onder schadelijke omstandigheden zijn veroorzaakt

Verder kan de omkeringsregel slechts worden gebruikt als er voldoende zekerheid bestaat tussen het verband tussen de gezondheidsklachten en de arbeidsomstandigheden.

De feiten in Lansink/Ritsma

Het slachtoffer, de heer Ritsma is geboren op 1 mei 1943, en is in 1976 in dienst getreden bij zijn werkgever Lansink B.V als (onderhouds)schilder. Voordien heeft hij gewerkt als vrachtwagenchauffeur en (vanaf 1968) als schilder bij twee andere bedrijven. Bij Ritsma zijn begin 2000 kwaadaardige tumoren ontdekt in het nierbekken en in de longen.

Aansprakelijkstelling

Op 17 oktober 2000 heeft Ritsma zijn werkgever Lansink B.V. aansprakelijk gesteld voor de door hem door zijn ziekte geleden schade, en de nog te lijden schade. Op 18 februari 2001 overleed hij aan zijn ziekte. De nabestaanden van Ritsma hebben in deze zaak schadevergoeding gevorderd op grond van art. 6:108 BW (overlijdensschade) als zijn erfgenamen, en zij eisten schadevergoeding op grond van art. 6:107 BW (geestelijk en lichamelijk letsel).

Stelling van de heer Ritsma (werknemer)

De nabestaande van Ritsma betoogt dat Ritsma gedurende zijn dienstverband bij Lansink B.V. gewerkt heeft met epoxyverven, polyurethaanverven, houtrotmiddelen en betonreparatiemiddelen. Deze bevatten aromatische amines, die in verband zijn gebracht met urotheelkanker.

Kans op longkanker

Daarnaast kwam Ritsma bij het afschuren van oude (al dan niet loodhoudende) verflagen en het gebruik van (dichloormetaanhoudend) verfafbijtmiddel in aanraking met situaties die een verhoogde kans op longkanker met zich meebrachten. Volgens de nabestaande heeft Lansink B.V. nagelaten te voorkomen dat Ritsma met deze producten werkte en zorgde Lansink B.V. niet voor een goede bescherming van zijn werknemer. Hierdoor zou Lansink B.V. aansprakelijk zijn op grond van art. 7:658 BW.

Verweer van Lansink B.V. (werkgever)

De werkgever Lansink B.V. verweert zich door te stellen dat de heer Ritsma enkel met verfproducten van gerenommeerde leveranciers werkte, welke producten volstrekt alledaags waren en hooguit in beperkte mate stoffen bevatten die schadelijk kunnen zijn voor de gezondheid. De mate waarin die stoffen in de verfproducten zijn verwerkt en de wijze waarop die producten door huis- en onderhoudsschilders als Ritsma werden gebruikt, brachten destijds geen kenbare risico’s voor de gezondheid mee. Bovendien is Ritsma gedurende zijn dienstverband met Lansink slechts in zeer geringe mate blootgesteld aan oplosmiddelen. De blootstelling bleef ruimschoots beneden de toen geldende maximale concentraties. Op grond van deze omstandigheden kan Lansink concluderen dat zij aan haar zorgplicht jegens Ritsma heeft voldaan.

Kantonrechter

De kantonrechter oordeelt in deze zaak dat er geen reële kans is dat de blootstelling de ziekte van Ritsma heeft veroorzaakt. De kantonrechter komt op basis van het rapport van deskundigen tot zijn oordeel. Uit het rapport blijkt namelijk dat er een algemene kans van 17% bestaat dat de ziekte van Ritsma is veroorzaakt door zijn werkzaamheden bij Lansink B.V. Daarnaast kunnen zijn vorige beroepen hebben bijgedragen aan het verhoogde risico maar deze bijdragen lieten zich niet goed kwantificeren. De drempel voor het aannemen van causaal verband wordt volgens de kantonrechter dan ook niet gehaald. De vordering van Ritsma wordt om die reden afgewezen.

Hof

Het hof buigt zich over de vraag of voor het toepassen van de arbeidsrechtelijke omkeringsregel een bepaalde drempel is vereist. Volgens het hof is dit niet het geval. Het hof oordeelt dat voldoende is dat sprake is geweest van een blootstelling in die mate die de klachten kan hebben veroorzaakt. Het hof oordeelt dus dat de kanker van Ritsma is veroorzaakt doordat hij is blootgesteld aan stoffen die dit kunnen veroorzaken.

Hof: werkgever was op de hoogte van de gevaren

Het hof neemt daarbij aan dat, in het licht van vakliteratuur, Lansink B.V. vanaf het begin van het dienstverband op de hoogte was van de gevaren dan wel had moeten zijn aan de blootstelling van gevaarlijke stoffen. Het wordt aangenomen dat hij is tekortgeschoten, vanwege het feit dat Lansink niet heeft aangegeven welke maatregelen hij heeft getroffen en/of welke instructies hij heeft gegeven aan de werknemer. Daarmee staat het causaal verband tussen de urotheelkanker en het werk vast. Lansink B.V. is volgens het hof aansprakelijk. Het hof wijst de vordering van Ritsma om die reden dan ook toe.

Hoge Raad

De Hoge Raad komt op tegen de omkeringsregel en oordeelt dat de arbeidsrechtelijke omkeringsregel niet opgaat. De Hoge Raad overweegt dat de arbeidsrechtelijke omkeringsregel door het hof verkeerd is gebruikt. Het hof gaat uit van een vermoeden en hier is geen plaats voor in het geval het verband tussen de gezondheidsschade en de arbeidsomstandigheden te onzeker of te onbepaald is. Daarnaast oordeelde het hof ook dat er geen ondergrens bestaat voor het antwoord op de vraag of de gezondheidsklachten van de werknemer kunnen zijn veroorzaakt door de blootstelling aan gevaarlijke stoffen.

Hoge Raad: dit is een onjuiste opvatting

Er bestaat wel een ondergrens. Het hof oordeelde dat Lansink B.V. bekend hoorde te zijn met de gevaren verbonden aan de blootstelling aan gevaarlijke stoffen en dat hij maatregelen had moeten treffen of instructies had moeten geven die hadden bijgedragen tot de beperking. Het hof lichtte echter niet toe welke maatregelen of instructies gegeven hadden moeten worden.

Conclusie

Er geldt een ondergrens voordat de arbeidsrechtelijke omkeringsregel kan worden toegepast. Een algemene kans van 17% is volgens de Hoge Raad niet voldoende om causaal verband en daarmee uiteindelijk aansprakelijkheid aan te nemen.

Diensten

Diensten

Wat doen wij en voor wie doen wij dat? Voor slachtoffers van letselschade en voor letselschadeprofessionals die behoefte hebben aan objectieve informatie over letselschade.

Kennis

Kennis

LetselschadeSlachtoffer.nl biedt met haar website de laatste stand van zaken op het gebied van Jurisprudentie en legt via Wikipedia de termen uit die bij letselschade worden gebruikt.

Hulp

Hulp

Heeft u zelf een ongeval met letsel meegemaakt en wenst u professionele en kosteloze hulp van ervaren letselschadejuristen? Neem dan contact met ons op via het contactformulier op deze site.