Gerechtshof ’s Hertogenbosch, 8 maart 2016

  • Bedrijfsongeval
  • Uitgeleende werknemer van uitzendbureau
  • Ongeval in de bouw

Deze zaak betreft het arrest van het hoger beroep in:

  • de hoofdzaak tussen appellant (werknemer) en Nationale Nederlanden Schadeverzekering Maatschappij N.V..

en

  • het vervolg op het in hoger beroep gewezen tussenarrest in de vrijwaringszaak tussen Nationale Nederlanden en geïntimeerden:
    • geïntimeerde 1: Bouwcombinatie V.O.F.
    • geïntimeerde 2: B.V
    • geïntimeerde 3: Aannemersbedrijf B.V.

Het geding in hoger beroep – in de hoofdzaak

Feiten van het bedrijfsongeval

In de hoofdzaak gaat het voornamelijk om de uitzendovereenkomst tussen R&Z Personeelsdiensten B.V. en appellant (werknemer). Appellant is op 13 augustus 2007 een schriftelijke uitzendovereenkomst voor bepaalde tijd aangegaan met R&Z Personeelsdiensten B.V. (hierna: R&Z) om onder meer bekistingswerkzaamheden op bouwlocatie te verrichten.

Op 15 mei 2007 heeft de vertegenwoordiger van Bouwcombinatie V.O.F opdracht gegeven aan R&Z om bekistingswerkzaamheden op een bouwlocatie te Heerlen te verrichten. R&Z heeft daarop appellant voor de bekistingswerkzaamheden uitgeleend aan Bouwcombinatie V.O.F. Tijdens het uitoefenen van de bekistingswerkzaamheden op 14 januari 2008 heeft appellant schade geleden. Appellant is door een collega gewond aangetroffen in een berging op de begane grond van het bouwproject.

Appellant wil de schade als gevolg van het ongeval verhalen op R&Z. R&Z verkeert sinds 16 maart 2010 echter in staat van faillissement. Nationale Nederlanden is de aansprakelijkheidsverzekeraar van R&Z. Appellant vordert dan ook veroordeling van Nationale Nederlanden tot betaling van de door hem geleden en nog te lijden schade als gevolg van het aan hem overkomen ongeval op 14 januari 2008.

Vanwege het faillissement van R&Z stelt appellant Nationale Nederlanden, de aansprakelijkheidsverzekeraar van R&Z, op grond van artikel 7:658 lid 1 en 2 BW en subsidiair op grond van artikel 7:611 aansprakelijk voor de schade die tijdens het uitoefenen van de werkzaamheden is geleden. Vanwege het feit dat R&Z met ingang van 28 augustus 2012 is uitgeschreven uit het Handelsregister wil appellant op grond van artikel 7:954 lid 1 dan wel lid 2 BW thans betaling van hetgeen hem toekomt van Nationale Nederlanden, zijnde de verzekeraar van R&Z Personeelsdiensten B.V.

Zorgplicht (formele) werkgever ingevolge 7:658 BW

Het hof heeft in dit geding betreffende het voorgevallen bedrijfsongeval geconcludeerd dat appellant de gestelde schade in de uitoefening van zijn werkzaamheden heeft geleden. Hiermee is R&Z volgens het hof als (formele) werkgever ingevolge artikel 7:658 BW voor deze schade aansprakelijk, tenzij zij aantoont dat zij of geïntimeerden niet is tekortgeschoten in haar zorgplicht ex artikel 7:658 lid 1 BW of dat de schade in belangrijke mate het gevolg is van opzet of bewuste roekeloosheid van appellant.

Het hof overwoog hierbij dat wanneer een werkgever zijn werknemer te werk stelt bij een derde om werkzaamheden ter uitvoering van diens bedrijf te verrichten en daarbij in dier voege gebruik maakt van de hulp van de derde, dat hij de zorg voor de veiligheid van de werknemer geheel of gedeeltelijk aan die derde overlaat, hij voor een tekortschieten van die derde in die zorg als voor eigen tekortschieten aansprakelijk is. Niet van belang is daarbij in hoeverre de werkgever zeggenschap over de werknemer heeft behouden.

Beoordeling

Het hof is tot de slotsom gekomen dat R&Z als (formele) werkgever aansprakelijk is voor de schade die appellant als gevolg van het ongeval op 14 januari 2008 heeft geleden. Het feit dat R&Z geen bemoeienis of zeggenschap had over de werkplek en de uitvoering van de werkzaamheden ter plaatse doet daar niet aan af. R&Z heeft namelijk niets gesteld dat zou leiden tot de conclusie dat bij nakoming door R&Z van haar zorgplicht het ongeval niet zou hebben plaatsgevonden. Nationale Nederlanden is als de aansprakelijkheidsverzekeraar van R&Z verplicht het bedrag van de aan appellant toekomende schadevergoeding aan deze te betalen.

Het vervolg op het in hoger beroep gewezen tussenarrest in de vrijwaringszaak

Zorgplicht materiële werkgever

In de vrijwaringszaak gaat het om de verhouding en de inleenovereenkomst tussen R&Z en Bouwlocatie B.V. Appellant is door R&Z uitgeleend aan gelieerd bedrijf en de materiële werkgever genaamd Bouwcombinatie V.O.F. In het tussenvonnis heeft de kantonrechter Nationale Nederlanden in de gelegenheid gesteld om geïntimeerden (o.a. Bouwcombinatie V.O.F.) op grond van artikel 7:954 lid 4 BW in vrijwaring op te roepen. Nationale Nederlanden heeft gesteld dat R&Z als formele werkgever geen bemoeienis met of zeggenschap had over de werkplek en de uitvoering van de werkzaamheden ter plaatse. Die verantwoordelijkheid lag volgens Nationale Nederlanden bij de inlener.

Het hof heeft geoordeeld dat appellant is gevallen door een uitsparing die niet was afgedekt. Een ondernemer was aan het werk die de uitsparing was vergeten af te dekken. Volgens het hof valt niet in te zien op welke wijze R&Z het bijzonder gevaar had moeten onderkennen en daarvoor had moeten waarschuwen of instructies had moeten geven. R&Z had geen zeggenschap over de bouwlocatie en hetgeen daarop werd uitgevoerd en kon dus geen invloed uitoefenen op de werkzaamheden van de onderaannemer, noch de deugdelijkheid van die werkzaamheden controleren. Geïntimeerden, o.a. Bouwlocatie V.O.F. die de zeggenschap wel had is als hoofdaannemer verantwoordelijk voor de werkzaamheden van haar onderaannemer.

Beoordeling: ECLI:NL:GHSHE:2016:863

Het hof komt tot de conclusie dat geïntimeerde tekort is geschoten in de op haar krachtens artikel 7:658 BW en artikel 7:611 BW als materiële werkgever rustende zorgplichten en uit dien hoofde jegens appellant aansprakelijk is. Geïntimeerden zijn dus aansprakelijk voor de door appellant geleden en nog te lijden schade en dat de geïntimeerden Nationale Nederlanden (aansprakelijkheidsverzekeraar van R&Z, de formele werkgever) dienen te vrijwaren voor de schade die als gevolg van de tekortkoming van geïntimeerden is ontstaan dan wel daaraan kan worden toegerekend.

Kortom

Het hof oordeelt dat vaststaat dat de werknemer bij de uitoefening van zijn werkzaamheden op de bouwlocatie een ongeval is overkomen omdat onder meer de verwondingen zoals die door de arts werden vastgesteld passen bij het verhaal van werknemer. Het uitzendbureau heeft onvoldoende weersproken dat er geen sprake was van nalatigheid. Het uitzendbureau heeft de materiële werkgever in vrijwaring opgeroepen. Het hof concludeert dat de materiële werkgever tekort is geschoten in de op haar krachtens artikel 7:658 BW en artikel 7:611 BW rustende zorgplichten. De vordering in de vrijwaringsprocedure wordt toegewezen.

Diensten

Diensten

Wat doen wij en voor wie doen wij dat? Voor slachtoffers van letselschade en voor letselschadeprofessionals die behoefte hebben aan objectieve informatie over letselschade.

Kennis

Kennis

LetselschadeSlachtoffer.nl biedt met haar website de laatste stand van zaken op het gebied van Jurisprudentie en legt via Wikipedia de termen uit die bij letselschade worden gebruikt.

Hulp

Hulp

Heeft u zelf een ongeval met letsel meegemaakt en wenst u professionele en kosteloze hulp van ervaren letselschadejuristen? Neem dan contact met ons op via het contactformulier op deze site.